
Uiergezondheid in cijfers: de resultaten van MCC-onderzoek in 2025
In het geaccrediteerde melklaboratorium van MCC-Vlaanderen worden tankmelk- en kwartiermonsters geanalyseerd om onder andere mastitisverwekkers te identificeren en hun gevoeligheid voor antibiotica te bepalen. De inzichten die deze analyses opleveren, kunnen melkveehouders helpen bij het handhaven van de hoge kwaliteitsnormen voor melkproductie. In dit artikel delen we graag de resultaten van de analyses van 2025.
Resultaten tankmelkmonsters
Uit de tankmelkmonsters die in 2025 in het labo van MCC onderzocht werden via de PathoProof PCR-analyse, zien we in vergelijking met 2023 en 2024 een stijging van verschillende pathogenen, waaronder Staphylococcus aureus, Streptococcus dysgalactiae en Streptococcus uberis. Maar ook het bèta-lactamase gen (blaZ), dat verhoogde kans op penicilline resistentie indiceert bij stafylokokken, vonden we in 2025 vaker terug.
- Staphylococcus aureus, een typische koegebonden en besmettelijke bacterie, vonden we terug in meer dan de helft van de tankmelkmonsters die we ontvingen, wat aangeeft dat aandacht voor overdracht in de melkput belangrijk is om die te voorkomen.
- Streptococcus uberis, een typische omgevingsbacterie, kwam zelfs voor in bijna alle tankmelkmonsters die we ontvingen. Om deze bacterie te voorkomen is het belangrijk om in te zetten op extra hygiëne in de stal en tijdens het melkproces.
- Streptococcus agalactiae is voor het derde jaar op rij aanwezig, in meer dan 5% van de ingestuurde tankmelkmonsters. Deze bacterie kan behoorlijk wat schade veroorzaken vanwege haar hoge besmettelijkheid.
Tot slot valt op dat er seizoenseffecten zijn: Enterococcus species, Escherichia coli, gist en Streptococcus agalactiae kwamen vooral in de tweede jaarhelft voor, terwijl Corynebacterium bovis meer in de eerste helft van het jaar werd aangetroffen.
Tabel 1: Resultaten 2025 van tankmelkmonsters geanalyseerd met de PathoProof TM (PCR)
| Mastitisverwekkende kiemen | % |
| Corynebacterium bovis | 26,7% |
| Enterococcus species | 59,9% |
| Escherichia coli | 38,2% |
| Gist | 20,6% |
| Klebsiella species | 12,6% |
| Mycoplasma bovis | 1,2% |
| Mycoplasma species | 11,1% |
| Prototheca species | 5,6% |
| Serratia marcescens | 6,9% |
| Staphylococcus aureus | 57,8% |
| Niet-aureus stafylokokken | 38,2% |
| Streptococcus agalactiae | 6,6% |
| Streptococcus dysgalactiae | 61,7% |
| Streptococcus uberis | 72,0% |
| Trueperella pyogenes | 36,6% |
| Negatief | 0,5% |
| Resistentie-gen | |
| Bèta-lactamase gen | 28,7% |
Resultaten kwartiermonsters
Monsters die worden ingestuurd naar het MCC-labo kunnen zowel afkomstig zijn van attentiekoeien (indicatie van subklinische mastitis) als van koeien met een zichtbare afwijking in de melk van het kwartier of in het kwartier zelf (indicatie van klinische mastitis). Hieronder vind je de resultaten van 2025 voor elk van deze types monsters.
Tabel 2: Verdeling van de kwartiermonsters ingestuurd in 2025 voor mastitisonderzoek.
| Bacteriologisch cultuur subklinische mastitis (attentiekoeien) | Bacteriologisch cultuur klinische mastitis | |
| Totaal aantal monsters ingestuurd | 4.827 | 3.511 |
| Waarvan aerobe cultuur positief | 2.893 | 2.854 |
| Waarvan aerobe cultuur negatief | 1.934 | 675 |
Monsters die worden ingestuurd als indicatie van subklinische mastitis zijn afkomstig van attentiekoeien, dus verhoogd in celgetal maar zonder zichtbare afwijkingen in de melk zoals vlokken of afwijkingen aan de uier, bijvoorbeeld opzettingen. De belangrijkste mastitisverwekkers zijn Streptococcus uberis, Staphylococcus aureus en niet-aureus stafylokokken. Deze laatste groep van bacteriën wordt vaak teruggevonden, maar is minder relevant als mastitisverwekker omdat dit soort bacteriën tot de minor (weinig schadelijke) behoort. Opvallend is, hoewel dit een verbetering is ten opzichte van vorig jaar, dat nog steeds een vijfde van de ingestuurde melkmonsters gecontamineerd (= vervuild) is, wat een diagnose uitsluit. Daarom is het cruciaal om in te zetten op een correcte en hygiënische monstername.
Monsters ingestuurd als indicatie van klinische mastitis zijn afkomstig van koeien met een zichtbare afwijking in de melk van het kwartier of in het kwartier zelf. De belangrijkste mastitisverwekkers in deze categorie zijn Escherichia coli, Staphylococcus aureus, Streptococcus uberis en Streptococcus dysgalactiae. Ook hier worden niet-aureus stafylokokken vaak gevonden. De cijfers tonen aan dat van de in totaal 7 melkmonsters ongeveer 1 gecontamineerd is. Dit is nog steeds een aanzienlijk aantal en dus vatbaar voor verbetering.
Tabel 3: Resultaten 2025 kwartiermonsters geanalyseerd d.m.v. kweek (aerobe cultuur) met de vijf meest voorkomende kiemen in vet aangeduid.
| 2025 | Bacteriologisch cultuur subklinische mastitis (attentiekoeien) | Bacteriologisch cultuur klinische mastitis | ||
| Aantal positieve monsters | % | Aantal positieve monsters | % | |
| Mastitisverwekkende kiemen | ||||
| Aerokokken | 16 | 1,1% | 46 | 1,6% |
| Andere bacteriën | 5 | 0,3% | 20 | 0,7% |
| Bacillus species | 49 | 3,3% | 158 | 5,5% |
| Corynebacterium species | 62 | 4,2% | 54 | 1,9% |
| Enterobacter species | 1 | 0,1% | 31 | 1,1% |
| Enterokokken | 65 | 4,4% | 135 | 4,7% |
| Escherichia coli | 29 | 1,9% | 553 | 19,4% |
| Gisten | 41 | 2,7% | 81 | 2,8% |
| Klebsiella species | 12 | 0,8% | 88 | 3,1% |
| Lactokokken | 20 | 1,3% | 26 | 0,9% |
| Niet-aureus staphylococcus | 604 | 40,5% | 527 | 18,5% |
| Pasteurella species | 7 | 0,5% | 17 | 0,6% |
| Prototheca species | 8 | 0,5% | 17 | 0,6% |
| Pseudomonas species | 4 | 0,3% | 13 | 0,5% |
| Schimmels | 0 | 0,0% | 6 | 0,2% |
| Serratia species | 15 | 1,0% | 71 | 2,5% |
| Staphylococcus aureus | 125 | 8,4% | 225 | 7,9% |
| Streptococcus agalactiae | 7 | 0,5% | 21 | 0,7% |
| Streptococcus dysgalactiae | 52 | 3,5% | 172 | 6,0% |
| Streptococcus uberis | 157 | 10,5% | 549 | 19,2% |
| Trueperella pyogenes | 8 | 0,5% | 42 | 1,5% |
| Polybacterieel | 309 | 20,7% | 385 | 13,5% |
In 2025 zijn er voor subklinische mastitis 2.893 aerobe cultuur positieve monsters teruggevonden met 1 of meer kiemen, voor klinische mastitis waren er dat 2.854. Van zodra er 3 of meer kiemen in een monster gevonden worden, wordt een monster beschouwd als polybacterieel. Dit is meestal het gevolg van fouten bij monstername of het feit dat het monster niet correct bewaard werd vooraleer het onderzocht kon worden. Veel conclusies kan men uit deze polybacteriële monsters bijgevolg niet trekken.
Heb je vragen over jouw bacteriologische uitslag?
Contacteer in de eerste plaats jouw dierenarts: aangezien hij een goed beeld heeft van de uiergezondheid op jouw bedrijf, kan hij haalbare maatregelen voorstellen. Daarnaast kan je met je vragen uiteraard ook altijd terecht bij de medewerkers van MCC, via telefoon op 078 15 47 10 of via mail naar info@mcc-vlaanderen.be.
>> Meer lezen: verder op onze website vind je een uitgebreid overzicht van de resultaten van mastitisonderzoek van 2025 in vergelijking met de resultaten van 2024: klik hier voor de vergelijking.


