Melknet Producent

Leveraarsnummer

Geheime code :


 

Melknet Zuivel

Melknet Bis

 
KIEMIDENTIFICATIE  

Procedure ‘Attentiekoeien’  

De procedure ‘Attentiekoeien’ wordt in principe aangevraagd voor klinisch normale melk met een verhoogd celgetal, zoals bijv. bij koeien die op het resultaat van de melkproductieregistratie (MPR) aangeduid worden met het symbool ’BO’. De rapportering op het beproevingsresultaat gebeurt op basis van een praktisch hanteerbare indeling voor de bijzonderste uierpathogenen.  

De zgn ‘major pathogens’ worden vetjes afgedrukt, de ‘minor pathogens’ in het gewone lettertype.
  

Op ieder melkmonster wordt – tenminste als er voldoende melk bemonsterd is en de melk van goede kwaliteit is (d.w.z.  geen vlokken) - eveneens het celgetal bepaald.  

 

Major pathogens 

Staphylococcus aureus 

S. aureus is één van de meest voorkomende uierpathogenen met een uitgesproken pathogeen karakter, handhaaft zich gemakkelijk op de uier- en tepelhuid en wordt vooral verspreid tijdens het voorbereiden van de uier en via tepelvoeringen bij het melken. De cellulaire reactie (celgetalstijging) is weliswaar minder uitgesproken als bijv. bij streptokokkeninfecties, maar S. aureus heeft wel  de eigenschap te evolueren tot een chronische en moeilijk te behandelen besmetting.  De prognose na behandeling wordt veel minder gunstig naarmate de koe ouder wordt ( ≥ 3 lactaties ) en er meerdere kwartieren geïnfecteerd raken.   


Esculinepositieve kokken 

De groep van de zgn. esculinepositieve kokken wordt in hoofdzaak vertegenwoordigd door Streptococcus uberis en Enterococcus species. Esculinepositieve kokken zijn omgevingsbacteriën en hun voorkomen wordt vaak geassocieerd met een minder hygiënische bedrijfsvoering  : ligbedden, onvoldoende tepeldesinfectie na het melken. Beïnvloeding van het celgetal is eerder wisselend. Bovendien ziet men vaak spontane genezingen. Wanneer een dergelijk resultaat gekoppeld is aan een verhoogd celgetal, dan is een behandeling tijdens lactatie aan te bevelen. Streptokokken zijn over het algemeen gevoelig voor β-lactamantibiotica ( penicillines, cephalosporines). 


Streptococcus dysgalactiae en agalactiae 

Beide streptokokken (vooral S. agalactiae) zijn  koegebonden uierpathogenen. Op dit ogenblik worden zij niet meer zo frequent geïsoleerd. Het  voorkomen wordt duidelijk geassocieerd met een slecht functionerende melkinstallatie of oppervlakkige melktechniek. Zij beïnvloeden in zeer sterke mate het celgetal, maar hebben het voordeel dat zij relatief goed te behandelen zijn met β-lactamantibiotica. De therapie wordt bij voorkeur uitgevoerd tijdens de lactatie. 


Arcanobacterium pyogenes 

Arcanobacterium pyogenes (de zgn. wrangbacterie)  wordt vooral geïsoleerd uit secreet van droogstaande koeien en op bedrijven waar de hygiëne – meer bepaald van de huisvesting – beslist onvoldoende is.  A. pyogenes veroorzaakt  steeds een ernstige ontstekingsreactie met verlies van het kwartierweefsel tot gevolg en wordt bijgevolg zelden teruggevonden bij subklinische infecties. Alhoewel A. pyogenes gevoelig is voor penicillines, is klinische en bacteriologische genezing zeer zeldzaam. 


Minor pathogens 

Corynebacterium bovis 

Corynebacterium bovis wordt het frequentst geïsoleerd uit subklinisch besmette uierkwartieren en komt over het algemeen sterk verspreid voor op het bedrijf. De ontstekingsreactie (stijging van het celgetal) blijft eerder beperkt, maar gelet op de hoge prevalentie kan C. bovis op een bepaald ogenblik wel het tankcelgetal in ongunstige zin beïnvloeden.  Dergelijke infecties worden in de literatuur verbonden met een gebrekkige of afwezige tepeldesinfectie na het melken. Een groot deel van de infecties genezen tijdens de droogstand. In de regel worden C. bovis-infecties niet behandeld, maar ligt het accent volledig op preventie. 


Staphylococcus species (spp) 

Staphylococcus spp verzamelt een grote variëteit aan verschillende  stafylokokken die als gemeenschappelijke eigenschap hebben dat zij het enzyme coagulase niet produceren. Om die reden worden zij ook vaak coagulasenegatieve  stafylokokken – kortweg CNS – genoemd. Samen met C. bovis worden zij het vaakst teruggevonden bij koeien met een verhoogd celgetal.  Zij behoren weliswaar  tot de zgn. minor pathogens, maar kunnen onderling toch  verschillen vertonen m.b.t. hun pathogeniciteit. Behandeling tijdens lactatie is meestal niet nodig,  tenzij door een te hoge prevalentie het tankcelgetal  boven de kwaliteitsnorm ( 400.000 cellen / ml) dreigt te komen. De therapie – indien aangewezen - is volledig vergelijkbaar als deze voor S. aureus. Ook hier ligt de nadruk op de preventie met speciale aandacht voor het voorbereiden van de uier bij het aansluiten van het melkstel en tepeldesinfectie. 


Gramnegatieven 

Bij de procedure ‘Attentiekoeien’ wordt deze groep niet verder gedifferentieerd tot E.coli, Klebsiella spp., Enterobacter, Hafnia spp,… Gramnegatieven komen hoofdzakelijk voor bij acute, klinische infecties. Desondanks is een chronische, subklinische infectie met bijv. Klebsiella niet uit te sluiten. Heel af en toe kan een koe die gramnegatieven - coliformen – uitscheidt aanleiding geven tot  een verhoogd coligetal van de tankmelk. Subklinische, gramnegatieve infecties – wanneer we zeker zijn dat het niet om een contaminatie gaat-  zijn moeilijk te behandelen. Om die reden wordt  een dergelijke therapie zelden ingesteld. 


Gisten en schimmels 

Gisten (Candida spp) en in mindere mate schimmels  worden eveneens geïsoleerd. Meestal gaat het om secundaire infecties na een langdurige en falende  antibioticatherapie. Speciale aandacht voor Prototheca spp.  is toch wel aan de orde, vermits dit micro-organisme frequenter wordt vastgesteld. De juiste oorzaak is niet altijd  te achterhalen. Vaak wordt de link gelegd naar gecontamineerd water e.d. In ieder geval is er geen afdoende therapie beschikbaar en verlopen de infecties chronisch. Sporadisch worden spontane genezingen waargenomen. 


Polybacterieel 

De notatie ‘polybacterieel’ wordt op het beproevingsverslag vermeld, wanneer 3 of meer verschillende kiemen geïsoleerd worden en is meestal het gevolg van fouten bij de melkmonstername of de bewaring van de monsters tijdens het transport naar het lab. Veel conclusies kan men er bijgevolg niet uit trekken. Wanneer echter een major pathogen teruggevonden wordt en het celgetal van het betreffende kwartier bovendien verhoogd is, dan zal deze bacterie samen met de vermelding ‘polybacterieel’  op het rapport aangeduid worden.